Geschiedenis-XVI-1-De zaak van de galg voor de Grote Raad1557_Pagina_3
Geschiedenis-XVI-1-De zaak van de galg voor de Grote Raad1557_Pagina_3 // Foto:

Deel XVI (I)

Geschiedenis

In Deel XV is de conclusie dat de geschiedenis van het Tanthof en vooral die van de centrale uithof van het Abtsrecht, gelegen aan het huidige Vietnampad, nog vele geheimen kent. Voor een groot deel wordt dit veroorzaakt, doordat in 1536 het stadsarchief van Delft door de grote stadsbrand verloren is gegaan. Over de periode vóór 1536 kan informatie alleen maar komen uit archeologische opgravingen of uit archieven die niet verbrand zijn of archieven van buiten Delft. In Deel XV waren dat akten van ondertrouw die bij de stadsbrand gespaard zijn gebleven. Nu kijken we naar een archief van buiten Delft.


De Habsburgse tijd en de Tachtigjarige Oorlog (1500-1650)


Eén van die archieven van buiten Delft is dat van de Grote Raad van Mechelen over de periode 1471 tot 1577.


De Grote Raad van Mechelen is vanaf de vijftiende eeuw het hoogste rechtscollege in de Nederlanden. 

Men kan bij de Grote Raad in beroep gaan tegen de uitspraken van het Hof van Holland.


Delft is in deze periode de derde stad van Holland na Leiden en Haarlem.


Het archief van de Grote Raad kent dan ook een grote hoeveelheid rechtszaken waarin Delft en de ambachten rond Delft een rol spelen. Uit deze archieven komen een aantal rechtszaken naar voren die een machtsstrijd laten zien tussen de magistraat van de stad Delft en de abt van Egmond als ambachtsheer van de heerlijckheyt Abtsregt in Popswoude (Papsouw).


De Zaak Heynrick Dierts (1482)

Tussen de abt van Egmond en de magistraat van Delft is in 1480 een geschil ontstaan over de jurisdictie (rechtsbevoegdheid) in het Abtsregt. De schout van Delft heeft in Popswoude een zekere Heynrick Dierts gearresteerd en gevankelijk naar Delft gevoerd. De abt van Egmond gaat hiertegen in beroep bij het Hof van Holland. Op 30 januari 1482 verzoeken beide partijen het hof om vonnis te wijzen. De procureur-generaal van het hof steunt de stad Delft. Hier stopt verdere informatie en de uitspraak van het hof en van het beroep bij de Grote Raad blijft onbekend.


De Zaak van het Versterkte Huis (1507 – 1513)

De abt van Egmond bezit in zijn heerlijckheyt Abtsregt de hoge en lage jurisdictie. Dit is een bron van onenigheid met de magistraat van Delft. De abt laat op zeker moment in de heerlijckheyt een versterkt huis bouwen om daarin gevangenen op te sluiten. De magistraat van Delft verzet zich hiertegen, aanvoerende dat in de naaste omgeving (binnen anderhalve mijl) van de stad geen fortificaties mogen worden gebouwd. 


Van de kant van de abt wordt hiertegen aangevoerd, dat het versterkte huis niet als een fortificatie is te beschouwen, aangezien het de hiertoe vereiste hoedanigheden mist. 

Bovendien voert de abt aan dat er in de naaste omgeving van Delft verscheidene andere versterkte huizen te vinden zijn. Zoals het huis van de heer Otto van Egmond, dat van Philips van Spangen, het huis Honselaersdijk van de heer van Montfoort en anderen. Voorts liggen de steden Rotterdam en Schiedam en het dorp Den Haag en verschillende andere dorpen eveneens vlak bij Delft. De stad eist afbraak van de door de abt gebouwde gevangenis in het Abtsregt. In de uitspraak van de Grote Raad van 2 december 1513 wordt Delft in het gelijk gesteld.

De lange duur van de rechtszaak – zes jaar – wijst er al op dat het een lastige procedure zal zijn geweest. 

Of het vonnis is uitgevoerd is onzeker. Waarschijnlijk is dit niet, omdat we weten dat de gevangenis ook na 1507 nog volop in gebruik is gebleven en in 1567 nog door de toenmalige abt is versterkt. Dit hele verhaal geeft wel nieuwe informatie over het eerste moment waarop er sprake is van een gevangenis in Abtsregt. Nog in het vorige deel is 1567 de eerste tijdsaanduiding uit schriftelijke bron, maar uit het archief van de Grote Raad blijkt dat er al vanaf 1507 een gevangenis in Tanthof bestaat. Het zegt tevens iets over het eerste moment waarop de naamgeving van de centrale uithof in Abtsregt kan zijn veranderd van het vroegmiddeleeuwse “Heymwerf’ in het laatmiddeleeuwse ‘Het Slot’. In het vorige deel bleek uit de akte van ondertrouw van Marijtge van Leeuwen dat 1650 het eerste schriftelijke bewijs is voor de naamgeving van ‘Het Slot’. 

Nu we weten dat de bouw van een gevangenis, dan wel de versterking van de hele centrale uithof als fortificatie, al vóór 1507 heeft plaatsgevonden, is het waarschijnlijk dat de naam ‘Het Slot’ al dateert uit de eerste helft van de 16e eeuw.

De zaak van de galg voor de Grote Raad 1557
Geschiedenis-XVI-1-De zaak van de galg voor de Grote Raad1557_Pagina_1
Geschiedenis-XVI-1-De zaak van de galg voor de Grote Raad1557_Pagina_2

Door // Biruté Kotryna